Ganga

Kinderverhaal
Fictie

De mussen in de dakgoot zijn stiller dan normaal. Warme lucht van de straat beneden stijgt op en kruipt via het open raam naar binnen. Ganga duwt met zijn neus mijn slaapkamerdeur verder open. ‘wrrroef!’ Ik strek mijn armen zo ver als ik kan. ‘Ja, Ganga, ik kom eruit.’ Loom slaat zijn staart tegen de muur.

Hij wil vast naar buiten. Toen mamma vorige jaar vertrok was hij nog niet zindelijk. Hij leek wel een rivier, bleef maar plassen. Mamma heeft hem Ganga genoemd, naar een grote rivier in India. Wat hebben we daarom gelachen, Rogier, mamma en ik. Rogier woonde toen al bij ons. Brugpieper noemde hij me altijd.

Mijn rug voelt klam. Bah. Eerst maar eens douchen. Ganga moet nog maar even wachten. In het badkamerkastje staan alleen nog mannenspullen. Ik schud de shampoofles. Bijna leeg. Voorzichtig schuif ik de scheerspullen van Rogier opzij. En geen nieuwe! Ik klap het deurtje dicht. Toen mamma er nog was, was er altijd shampoo in voorraad. Mijn voeten schuifelen over de vloer van de douchebak. Een seconde later stroomt de lauwwarme straal van het douchewater over mijn rug. Ik knijp mijn ogen dicht. Mijn haren veranderen in natte slierten.

‘Laat je Ganga zo uit? Hij staat weer op knappen!’ Rogier’s stem glipt door de kier van de badkamerdeur.
‘Jahaaa.’ Doe ik dat niet elke dag?

De doucheknop piept bij het dichtdraaien. Met mijn rechterhand trek ik de handdoek van het rek. Korte broek, onderbroek, T-shirt en slippers, meer kleren heb ik niet nodig.

In gang hangt de riem van Ganga. Zodra hij ziet dat ik hem pak, komt hij aanhollen. Zijn nagels prikken pijnlijk in mijn bovenbeen. ‘Auw, Ganga!’
Het zware hondenlijf is warm. Hij stribbelt gelukkig niet tegen bij het optillen. Ganga kan niet zo goed de trap aflopen. Door de inspanning loopt het zweet alweer over mijn rug.

Voorzichtig plaats ik de poten van Ganga op de kapotte stoeptegels buiten. ‘Je bent vast net zo zwaar als een wilde olifant in India, mamma had net zo goed voor jou kunnen zorgen.’ Ganga kwispelt. Weet hij veel. Weer raast er een scooter voorbij. Zijn geknetter overstemt het geluid van de ochtendspits. In mijn neus prikkelt de stank van uitlaatgassen. Ik klem het leer van de hondenriem stevig in mijn hand. Ganga mag niet de weg opvliegen. Mijn onbenullige Ganga, een verjaarscadeau van pappa.

Ons appartement zonder Ganga zou nóg leger voelen.